De verwarring

Binnenkort verschijnt de derde editie van het magazine Dysfluent, een onafhankelijk magazine waarin de ervaringen van mensen die stotteren centraal staan. Het tijdschrift sluit aan bij de Stutter Pride-beweging, die zich afzet tegen het medische model van handicap: het idee dat stotteren een defect is dat ‘gerepareerd’, ‘genezen’ of ‘overwonnen’ moet worden. Daartegenover staat het sociale model van handicap, waarin niet het stotteren zelf als het probleem wordt gezien, maar een samenleving die weinig ruimte laat voor afwijkende spraakritmes. 

Wat betekent het om trots te zijn op iets dat je ook associeert met strijd en pijn?

Tot voor kort riep deze beweging vooral weerstand bij mij op. Trots op iets waar ik altijd tegen heb moeten vechten? Het was een pijnlijke confrontatie met mezelf toen ik besefte dat ik de afkeuring van de buitenwereld volledig geïnternaliseerd heb. Ik voel mij vrij, maar diep vanbinnen blijf ik mezelf veroordelen omdat ik niet vrij ben van stotteren. Dat laatste stukje heb ik nog altijd niet ‘overwonnen’.

Waar bestaat dat laatste stukje eigenlijk uit?
Waar heb ik tegen moeten strijden?
Waarom voel ik mij nog altijd ongemakkelijk als iemand quasi-vriendelijk zegt ‘rustig aan’, wanneer ik haper? Waarom raakt het me nog als mensen moeilijk gaan kijken? Om te begrijpen hoe diepgeworteld deze pijn zit, moet ik terug naar mijn jeugd.

In de jaren zestig moest ik bij de KNO-arts plaatsnemen op een enge tandartsstoel met een felle schijnwerper op mijn gezicht gericht. “Vertel maar eens wat je vandaag gaat doen,” zei de man in de witte jas. Mijn moeder had verteld over mijn gestotter, en nu moest ik het laten horen. Door die toestemming viel de druk van mijn schouders en prompt verdwenen de stotters als sneeuw voor de zon.

‘Zeg eens: hottentottententententoonstelling’, grapte de arts nog jolig. ‘Iemand die dat woord zonder te stotteren kan uitspreken stottert niet. Ze neemt ons allemaal in het ootje’, lachte hij over mijn hoofd naar mijn moeder.
Nadat hij nog even een spiegeltje onder mijn neus had gehouden om te controleren op ‘valse lucht’ en een spatel achterin mijn keel had gestoken, stonden we weer buiten.

Ook een daaropvolgend bezoek aan de bekende kinderarts dr. Fiedeldij Dop bood geen soelaas. De heersende pedagogiek destijds was autoritair: kinderen die afweken, moesten in het gareel worden gedwongen. Zijn advies was rigoureus; ik mocht in niets ontzien worden. Zijn opvatting over stotteren was destructief: ik zou het expres doen, ik zou stotteren om aandacht af te dwingen of manipuleren om onder taken uit te komen. Zijn oordeel werd klakkeloos overgenomen. Dat zou me leren.

Het idee dat stotteren secundaire ziektewinst opleverde, was een hardnekkige en schadelijke misvatting.

In het Nederland van toen verscheen het boek Stotteren – een studie van onvrijwillig en vrijwillig gedrag, geschreven door de Nederlandse KNO-arts en foniater prof. dr. P.H. Damsté. Hij omarmde daarmee de Amerikaanse theorieën (van oa Bluemel en Van Riper) waarin werd gesteld dat stotteren een complex, aangeleerd gedragssysteem is; de initiële hapering is onwillekeurig, maar het daadwerkelijke stottergedrag – de worsteling met woorden – is een aangeleerde angstreactie om die hapering te onderdrukken. 

Ook het verhaal van de 150.000 spreekspiertjes, die niet goed zouden worden aangestuurd door de ‘patiënt’, werd in een ander licht gezet. De stottertherapie werd hierdoor uit de sfeer van de mechanische spraaklessen getrokken.
Deze revolutionaire visie ging dwars tegen de heersende dogma’s in.

Ik kocht het boek op de stotter-in van 1974 in Amsterdam. Maar de titel leek het verstrekkende oordeel van de kinderarts te ondersteunen; ‘vrijwillig gedrag’… Het riep de beschuldiging op, die zo zwaar had gewogen en waardoor ik mij als kind allesbehalve gesteund heb gevoeld.
Ik legde het boek weg.

Nu, met terugwerkende kracht, zie ik dat de visie van professor Damsté veel overeenkomsten vertoont met de Stuttering Hexagon van John Harrison. Zij maakten allebei de cruciale omslag van symptoombestrijding naar een holistische benadering waarbij communicatieve vrijheid centraal staat om het interne gevecht los te laten.

Mijn natuurlijke spraak beperkt mij niet, de aangeleerde strijd ertegen wel. Soms word ik nog teruggeworpen in het oude, opgelegde gevoel dat het er niet mag zijn.



Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Na het plaatsen van een reactie moet deze eerst worden goedgekeurd voordat deze verschijnt.

Er zijn nog geen berichten achtergelaten, wees de eerste.