Een tweede leven

Van kleins af aan kon ik met engelengeduld iets uit de knoop halen. Uren was ik ermee in de weer. Van poppenhaar tot het haar van mijn vriendinnetje die vaak met een vervilte knot in haar nek rond liep. Een soort heldere stem kwam vrij als mijn kam geen weerstand meer voelde.

Bij ons thuis stond in de hoek van de kamer een rotan mand met een scheef deksel. Daarin werden de bollen wol bewaard van uitgehaalde truien die te klein waren geworden maar nog goed voor een tweede leven. 

De wol werd eerst strak om een houten plank gewikkeld en nat gemaakt om de kronkels eruit te krijgen.
Mijn moeder was daar behendig in en liet de planken dansen als zij de wol afrolde en tot bollen opwond.

Zelf had zij als kind, in schaarse tijden, vaak tot ’s avonds laat zitten breien. Bij het zwakke licht van een kaars maakte zij van de nog bruikbare wol uit de oude sokken van haar vader, een nieuw paar.

Jaren later kocht zij strengen wol op de Ten Katemarkt. “Steek je armen eens uit,” zei ze dan. Ik diende als standaard terwijl zij de wol tot knotten opwond.

Soms kon het deksel nauwelijks meer dicht. Binnenin was alles met elkaar verstrikt geraakt.
En soms voelde het alsof ik zelf in die rotan mand was gestopt. Ook ik was een draad geworden die steeds verder verstrikt raakte. Hoe harder ik probeerde mezelf los te maken, hoe strakker de knopen werden.

Pas veel later zag ik dat ik zelf onderdeel van die kluwen was geworden. Pas toen kon ik, met hetzelfde engelengeduld, ook de knopen in mezelf losmaken. Niet door harder te trekken, maar door draad voor draad terug te gaan naar het begin. Tot daar waar mijn eigen draad begon. 

Mijn eigen stem kwam terug.

Sommige knopen heb ik niet ontward. Die heb ik uitgeknipt. Ze waren nooit van mij geweest.

What the struggle to speak is really all about.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Na het plaatsen van een reactie moet deze eerst worden goedgekeurd voordat deze verschijnt.

Er zijn nog geen berichten achtergelaten, wees de eerste.